Usutu-virus bij merels

26 september 2016
 
Bij de eerste zes dode merels die onlangs werden toevertrouwd aan het laboratorium voor 'Aviaire Virologie en Immunologie' van het 'Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie' (CODA) werd met behulp van moleculaire technieken het Usutu-virus aangetoond. Deze detectie bevestigt dus de aanwezigheid en circulatie van het virus in het noorden van ons land. 
 
Op het einde van de bijzonder milde zomer van 2016 werd door onder meer het Natuurhulpcentrum in Opglabbeek een abnormale sterfte geregistreerd bij merels. Het betrof ongeveer zestig dieren. Ook bij Vogelbescherming Vlaanderen en de andere Vlaamse opvangcentra voor vogels en wilde dieren (VOC) lopen de laatste weken opvallend meer meldingen van merelsterfte binnen.
 
Passieve bewaking
In Nederland bevestigde het ‘Dutch Wildlife Health Centre’ (DWHC) op 21 september 2016 de infectie van merels met het Usutu-virus. Op initiatief van het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) en in samenspraak met Vogelbescherming Vlaanderen werd vorige week een passieve bewaking opgestart met de actieve medewerking van DGZ (Dierengezondheidszorg Vlaanderen), het CODA en de VOC's.
 
De inzameling van kadavers en merels met ziektesymptomen gebeurt via de erkende opvangcentra voor vogels en wilde dieren. Een eerste waarschuwing was er al in 2012 toen het virus werd geïdentificeerd bij een in gevangenschap levende goudvink en een in de natuur gevonden grote bonte specht, beide afkomstig uit de vallei van de Maas tussen Namen en Hoei in Zuid-België.
 
 
 
 
Muggen
Het Usutu-virus, afkomstig uit Afrika (genoemd naar de plaats waar het geïsoleerd werd dichtbij een gelijknamige rivier in Swaziland), is een flavivirus dat nauw verwant is met het West-Nijl-virus (WNV). Het deed voor de eerste keer zijn intrede in Europa in 2001 in het Oostenrijkse Wenen waar een massieve mortaliteit werd vastgesteld bij merels (Turdus merula). Het virus wordt door steekmuggen, voornamelijk uit het geslacht Culex, overgedragen. Het is zeer uitzonderlijk dat mensen besmet raken. Ondanks de grote uitbraken onder vogels, zijn in Europa tot nu toe slechts vijf patiënten met neurologische klachten beschreven waarbij besmetting met het Usutu-virus is vastgesteld. Het merendeel had een verzwakte afweer.
 
Signalerende functie
Naast het opvangen, verzorgen en revalideren van noodlijdende wilde dieren, bewijzen de opvangcentra voor vogels en wilde dieren nogmaals hun signalerende functie. Doordat zij een verzamelpunt vormen voor vogels en andere wilde dieren die uit de wijde omtrek worden binnengebracht, kunnen zij fungeren als betrouwbare informant omtrent de omvang en ernst van calamiteiten, zoals een extreem strenge winter, olieverontreiniging, botulisme, usutu, enz. De opvangcentra voor vogels en wilde dieren kunnen daarom betrouwbare informatie verschaffen over oorzaken en achtergronden van sterfte onder vogels en andere wilde dieren en hebben hiermee een belangrijke taak in de richting van het publiek, de media en de overheden.
 
 
 
 
Wat kan jij doen?
Merels die mogelijk het virus in zich dragen, vertonen apathisch gedrag, zijn zeer makkelijk te benaderen en vliegen niet of erg onbeholpen weg. Ze zijn ook vermagerd, hoewel dat niet altijd zichtbaar is. Het ziekteverloop duurt twee tot drie dagen. Je kan een zieke merel helaas niet helpen, maar wél het onderzoek naar de verspreiding van het virus. Om hier zicht op te krijgen vraagt Vogelbescherming Vlaanderen om lusteloos uitziende merels over te brengen naar het dichtstbij zijnde opvangcentrum voor vogels en wilde dieren. Ook met dode merels kan je er terecht.
Go to top